Ravelijnlezing 2013

Het buitenland is groter dan het binnenland.’ Het is ondernemersregel nummer één volgens Vic Swerts, gedelegeerd bestuurder van één van onze meest succesvolle Antwerpse ondernemingen.  In een wereld waar de grenzen ook lijken op te lossen, getuigt het van ambitie eroverheen te kijken, ze voor alles te overschrijden.  Uitwisseling met nieuwe mensen en ideeën, met andere regio’s en besturen, met andere smaken ook verbreedt onze horizon.  Een open, onbevangen, immer nieuwsgierige maar allesbehalve naïeve blik op de wereld,  biedt allicht het meest waardevolle perspectief op onze kansen en uitdagingen in de geglobaliseerde wereld.

Een van de voorstellen uit mijn gouverneursrede over globalisering luidde als volgt: “Stimuleer de constructieve en positieve interactie tussen de grootstad, provinciesteden en de ruimere regio. Immers, de som is meer dan de delen. Dat blijkt ook uit de European attractiveness survey van Ernst & Young met betrekking tot de aantrekkelijkste steden en regio’s in Europa. Waar Antwerpen in de lijst van aantrekkelijkste steden niet eens voorkomt, prijkt de provincie Antwerpen op een knappe 10de plaats voor Boven-Beieren (Munchen), Catalonië, Stockholm, Noord-Holland en de regio rond Keulen. Veel meer dan landen lijken steden en regios steeds vaker en meer uitgesproken de nieuwe bouwstenen van mondiale activiteit.  Geen wereldwijd dorp, wel een netwerk van steden en economische regio’s, geënt op duurzame industriële,  logistieke en innovatieve ketens.  Kortom, “From Provincial to Universal”… zoals ik las op de Wereldexpo in Shanghai!”. Ik zou eraan toevoegen: en weer terug “from global/universal to provincial in een boeiende, open en voortdurende wisselwerking”.  Vandaag spreken we over de Vlaams-Nederlandse Delta in Europa: dat is m.i. zo’n economische regio met een enorm potentieel.

De sleutelwaarden zijn gekend: grensoverschrijding; kennis en inzichten delen en zo bijdragen tot meer kennis; samenwerken; inzet; doorzettingsvermogen; openheid; iedereen laten meedoen én verplichten om mee te doen; motivatie; veerkracht; veel ambitie; gegronde trots.  En natuurlijk ook goed nabuurschap. Vooral op vlak van handel geldt het adagium ‘beter een goede buur dan een verre vriend’ nog steeds.  Zo vloeit de helft van onze Belgische export naar Duitsland, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk.   

Maar niet alleen onze handel vaart wel bij goed nabuurschap. Wij kunnen ook op heel wat andere vlakken van elkaar leren. Want zoals Simon Carmiggelt het ooit schertsend zei:  "De buren weten precies hoe verkeerd wij het doen. Maar daar staat tegenover dat wij precies weten hoe verkeerd de buren het doen”.  Nu ja, ‘verkeerd’ is hier uiteraard met een stevige korrel zout te nemen.

Denk bijvoorbeeld aan de vormgeving en hervorming van bestuurlijk Vlaanderen.

België situeert zich op het kruispunt van het noordelijk en zuidelijk bestuursmodel.  In Europees perspectief situeert België zich net boven de mediaan wat betreft het aantal inwoners – zo’n 18.500 - per gemeente. Nederland redt het met heel wat minder bestuurders op lokaal niveau. Dat is logisch: hoe groter de gemeenten- een Nederlandse gemeente telt gemiddeld 40.000 inwoners-, hoe kleiner het aantal politiek personeel per inwoner. Overigens, qua aantal bestuurders op provinciaal niveau scoren Vlaanderen en Nederland nagenoeg gelijk.  Dit is ook niet verrassend. Meer in het algemeen ligt het gemiddeld aantal inwoners per sub-regionaal bestuur in België met circa 1.100.000 inwoners/provincie beduidend hoger dan de Europese mediaan (820.125). Het benadert het gemiddeld aantal inwoners per sub-regionaal bestuur in Europa.

Het recente Nederlandse regeerakkoord tussen VVD en PvdA spreekt ferme taal over de fusie van gemeenten, radicale schaalvergroting en afschaffing van provincies om finaal te landen met een beperkt aantal “landsdelen”. Al lijkt de nieuwe meerderheid inmiddels  node (?) terug te grijpen naar de pragmatische kaart en kiest ze voor een bottom-up benadering: de lokale besturen krijgen meer verantwoordelijkheden en bevoegdheden en moeten zelf uitmaken of ze die zelf kunnen waarmaken dan wel nood hebben aan samenwerking en/of fusie met buurgemeenten om hun bestuurskracht te vergroten.  Schaalvergroting door fusie blijft niettemin als stip aan de horizon staan. En dat wekt controverse. Als ik jullie kranten mag geloven.

In Vlaanderen organiseren de gouverneurs in opdracht van de Vlaamse Viceminister-president o.m. bevoegd voor binnenlands bestuur de zogenaamde regioscreening. Samen met clusters van gemeenten werken we aan optimale schalen van intergemeentelijke en interbestuurlijke samenwerking. Naar alle waarschijnlijkheid zal ook deze opdracht uiteindelijk leiden tot vrijwillige of wie weet zelfs verplichte fusies van gemeenten.

Kortom, niet alleen Nederland voert het debat over de schaal en de invulling van de lokale en sub-regionale besturen.

Inderdaad, ook de rol van de provincies is in beide landen volop in beweging.  De richting waarin, verschilt mogelijk. In België en Vlaanderen zijn de provincie en haar gouverneur hét bestuur en instituut bij uitstek die krachtens wet en decreet een verbindende, coördinerende rol als kerntaak hebben. Niet geheel onlogisch: in een verkokerd  Vlaanderen dat nog veel sterker kan en moet inzetten op pragmatisch samenwerkende overheden en diensten om gedeelde doelstellingen te bereiken, blijkt deze rol, positie en functie erg waardevol en nuttig. 

Allicht is of wordt dat in Nederland niet anders. Maar dat hoor ik graag van jullie.

Wel zie ik een aantal verschillen. Verschillen in bevoegdheden, maar ook –godzijdank– in cultuur.  Ik weet het.  Uitspraken daarover zijn erg delicaat, klinken snel cliché en lijken steeds weer weerlegbaar met een goed gekozen tegenvoorbeeld. En toch kleurt het ook onze manier van omgaan met en samenwerken binnen de Vlaams Nederlandse Delta, onze prachtige regio van rijke cultuur en evenzovele kansen.

Bewust omgaan met én het benutten van al deze verschillen, dat is onze opdracht.  Hierin schuilt ook de kracht van de Vlaams-Nederlandse Delta als grensoverschrijdend netwerk. Elkaar ontmoeten, plannen en ambities uitwisselen en zoeken naar synergiën in functie van ons gedeelde belang.  Een boeiende zoektocht die verloopt met vallen en opstaan. Voortdurend afwegen tussen deelbelangen vraagt immers tijd en inspanning.  De kracht van ons netwerk bestaat erin niet op te geven wanneer processen vastlopen of vertragen.  Het samen eens worden over en blijven focussen op gedeelde stippen op de horizon, is de opdracht. 

En cours de route  ervaren we zeker ook de verschillen tussen Nederland en Vlaanderen. 

Nederlanders zijn vaak sterk in het strategisch langetermijnplannen. “Wat gaan wij samen doen?”, meestal meteen verpakt in een aantal scherpe zinsneden.  Pragmatische Vlamingen zijn veeleer bekommerd om het hoe met weinig gedoe. “Hoe krijgen we die grootse ambitieuze plannen operationeel ?” Voor Vlamingen is inzicht in het ‘hoe’ en ‘waartoe’ doorgaans een conditio sine qua non om mee aan boord te stappen, om zich daadwerkelijk te engageren.

Een netwerk biedt ook de mogelijkheid om te bouwen aan vertrouwen.  Vertrouwen is cruciaal. Immers, zonder vertrouwen is het quasi onmogelijk om radicaal te kiezen voor het gemeenschappelijk belang als dat veronderstelt dat particuliere belangen of bezorgdheden al dan niet tijdelijk aan de kant moeten worden geschoven. In een context van wederzijds vertrouwen hebben alle partners de moed om die particuliere belangen en bezorgdheden onderbouwd te expliciteren. In een context van wederzijds vertrouwen worden die bezorgdheden bovendien ernstig genomen en niet afgedaan als onwil of gebrek aan engagement.

Dat blijkt m.i.  uit onze pogingen om een gezamenlijk TEN-T-project uit te werken. Initiële pogingen om respectieve lijsten van gewenste verbindingen bijeen te brengen, mislukten. De Delta is nochtans een compacte, redelijk goed verbonden regio.  We opereren dus onvermijdelijk in elkaars achtertuin. 

Interfererende noden en ook financiën maken de zoektocht naar een goed evenwicht hachelijk. Toch laten we de ambitie om de logistieke ontsluiting van de Delta gezamenlijk te definiëren niet los.  Op ons laatste grensoverschrijdend zeehavenoverleg gaven we álle deltahavens de opdracht om het alvast onderling eens te worden over prioritaire projecten, rekening houdend met de schaarste aan middelen.  Het spreekt voor zich dat de bestuurders uit de Delta verwachten dat ze behalve de klassieke modi als weg, spoor en water ook pijp- en buisleidingen als veilige vervoersmodus mee opnemen.

Dames en heren,

Regios, landen, stadsregios die nu én in de toekomst een leidende rol ambiëren moeten op zijn minst in drie dimensies denken:

  1. Met welke regio’s, landen, stadsregio’s werken we idealiter samen?
  2. Welke instrumenten brengen we idealiter samen?
  3. Hoe optimaliseren en integreren we de ‘resources’ aan talenten en middelen van de o.m. particuliere sector, het bedrijfsleven, kennisinstellingen en andere relevante partners maximaal?

Ik zal hier beknopt aanhalen hoe en waar we deze dimensies inzetten of moeten benutten voor het Deltanetwerk.  Een meer uitgebreide versie van deze tekst zal op de website van de Ravelijnlezing te raadplegen zijn.

 Waar we uitdrukkelijk geen nood aan hebben is voor mij duidelijk.  Zo zijn detailregels, nieuwe structuren, of de oprichting van nieuwe instellingen m.i. uit den boze want kostelijke oplossingen uit het verleden.  Haalbare goedgekozen projecten en een sober en rechtszeker voorwaardenscheppend, pragmatisch maar toch visionair en duurzaam beleid met een klare focus op duurzame, kwaliteitsvolle groei, maken volgens mij echt het verschil.

1.  Welke regios, landen, stadsregios werken optimaal samen?

Historische feiten –denk maar einde Scheldetol in 1863, of de opstart van de Benelux een kleine eeuw later-, geografische nabijheid, verwante economische activiteiten, het Rijnlandmodel, onze open economieën, en gedeelde uitdagingen zorgen bijna vanzelfsprekend voor samenwerking tussen onze gebieden. Dat de Deltaregio – net door juiste keuzes en volgehouden inspanningen van velen  - gisteren en vandaag uniek was en is, zal niemand ontkennen.  De Deltaregio dankt zijn uniciteit uiteraard aan zijn centrale, strategische ligging en zijn behoorlijk goede ontsluiting door degelijke infrastructuur voor alle vervoersmodi, aan het sterke opleidingsniveau én de relatief grote koopkracht van de bevolking… De directe en indirecte toegevoegde waarde én de werkgelegenheid die de zeehavens in onze delta creëren liggen aan de basis van zijn economische belang. Kortom, de Deltaregio op zich is onze gezamenlijke troef bij uitstek.  Maar niets is verworven! Zeker niet in een tijd waarin het politieke én economische evenwicht in de wereld verschuift naar het Oosten.

Precies daarom engageerden de drie Vlaamse en drie Nederlandse provincies zich om het Vlaams-Nederlands netwerk in nauwe samenwerking met de zeehavens en het bedrijfsleven te hernieuwen. Wat heeft dat engagement sinds december 2011 al opgeleverd? 

- in opdracht van de VND ontwikkelden de universiteiten van Rotterdam en Antwerpen de visienota 2040 waarmee we nog jaren aan de slag kunnen alsook de modulair uit te breiden Deltamonitor, via dewelke de resultaten en prestaties op strategische domeinen systematisch worden opgevolgd;

- Een jaarlijkse ook door de Vlaamse, Nederlandse en zelfs Europese beleidsmakers druk bijgewoonde Deltaconferentie over steeds weer een uitermate belangwekkend thema zoals de Seine-Scheldeverbinding en de biobased economy.

Het inmiddels systematisch overleg tussen de minister-presidenten van Vlaanderen en Nederland, de werkzaamheden van de toekomstdenkgroep en de verdere opvolging daarvan versterken m.i het belang en de meerwaarde van het VND-netwerk.

Inderdaad, deze beslissingen, initiatieven en inspanningen komen niks te vroeg. Zo bleek onlangs uit een OESO-rapport over de positie van de havens van Rotterdam en Amsterdam.  Daarin staat dat Nederland ten opzichte van andere grote havenregio’s maar heel beperkt profiteert van de havenactiviteiten.  Te veel overlap van activiteiten en onnodige concurrentie liggen aan de basis.  De OESO pleit dan ook voor een veel nauwere, grensoverschrijdende samenwerking tussen de havens in de Delta en hun achterland. Want, en ik citeer: “deze regio beschikt over het potentieel de belangrijkste transportas van Europa te worden, en één van de grootste industriële clusters wereldwijd.”   Wie zijn wij om de OESO tegen te spreken!

2.   Welke middelen en instrumenten brengen we strategische samen?

Of ook: Waar ontbreekt het Vlaanderen én Nederland aan schaal om doorbraken te forceren en veel moois te realiseren?  Hoe realiseren we voldoende kritische massa door samenwerking zodat we de concurrentie - in de mate die leidt tot een ‘zero sum’-  kunnen ombuigen in een echte ‘win…win’?  Wat wordt niet, suboptimaal of onvoldoende aan- en/of opgepakt wegens te beperkte capaciteit van elk van de afzonderlijke “nationale” regio’s binnen Nederland en Vlaanderen? Laat ons samen, met open vizier, onderzoeken waar het ons aan schaal ontbreekt, en dan samen aan de slag gaan.  Kansen grijpen om SAMEN vooruit te gaan.

3.  Hoe optimaliseren en integreren we de resources aan middelen en talenten van de o.m. particuliere sector, het bedrijfsleven, kennisinstellingen en andere relevante partners maximaal?

Een derde kritische succesfactor voor een succesvolle regio is een optimaal samenspel tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen en relevante stakeholders. Het voortdurend aantrekken, bevorderen en ontwikkelen en verstandig implementeren van wetenschappelijke, technische en technologische kennis.  Samenvoegen, verbanden leggen en kruisbestuivingen tussen geschiedenis, wetenschap, politiek én kunst,....daar gaat het om. Is het toeval dat hogere onderwijsinstellingen multi– en interdisciplinariteit steeds sterker structureel verankeren in hun beleid? Het verleden kan en moet ons daarbij inspireren: Antwerpen was niet voor niets het Palo Alto of Silicon Valley van de 16de eeuw, een contactplaats voor internationale vorsers, kunstenaars, geleerden, wetenschappers, cartografen en wiskundigen. Een kenniscentrum bij uitstek, een stimulerende plek voor creatieve en innovatieve ideeën én de optimale uitwisseling ervan. In de Gouden Eeuw van Nederland was dat allicht niet anders.

Maar, dames en heren, laat ons nog heel even samen verder teruggaan in de tijd.

Voor onze Lage Landen was de veertiende eeuw een benarde, ja zelfs gruwelijke crisisperiode.  De pest, oorlog, hongersnood, natuurrampen, het schisma in de kerk en hoogoplopende strijd tussen staten en standen geselden onze contreien.  In “Wereld in woorden” schetst mediëvist Frits Van Oostrom een uitermate boeiend beeld van die historische crisis, maar meer nog van de explosie van creativiteit die daardoor ontstond. In de eerste plaats in de literatuur:  denk maar de veelheid en diversiteit van teksten, aan het gedurfde werk van Van Ruusbroec en van Van Boendaele, de abele spelen. Maar ook daarbuiten: de intrede van het papier, aanzienlijke verschuivingen in de man-vrouwverhouding in de maatschappij, de opgang van de creatieve stad als magneet voor talent en ambitie, het emanciperende individu.

Het wegvallen van vaste verhoudingen en van zekerheden schiep volgens Van Oostrom naast wanorde ook ruimte. Ruimte voor individuen die iets durfden: uitdagen, experimenteren en grenzen overschrijden.  Zoals Van Oostrom het verwoordt: “Misschien daagde juist alle crises van de veertiende eeuw tot innovatie uit?” ‘Onrust’,  niet enkel als ontwrichting maar ook als avontuur.  De verwarring als kansrijke dynamiek.  Vernieuwingsdrang. Vraagt ook onze (crisis)tijd niet om experimenten en nieuwe recepten?

Volgens Van Oostrom was de veertiende eeuw allesbehalve de eeuw van verval.  Wel een eeuw die vleugels kreeg. Die causaliteit tussen crisis en het creatieve kan en moet ook onze eeuw inspireren en motiveren.  En vleugels geven.

Of mag het ook wat stekeliger? Volgens Dr. Barones Francine De Nave, gewezen directeur van het museum Plantin Moretus in Antwerpen, ligt Antwerpen aan de basis van de financiering en dus van het bestaan van de Verenigde Oost-Indische Compagnie: de eerste multinationale onderneming ter wereld, goudader en basis van die prachtige Nederlandse Gouden Eeuw - waarin ik me, samen met mijn dochtertje van zeven, het voorbije lange weekend in Amsterdam volgaarne onderdompelde…

Al moet ik toegeven, welke Antwerpenaar kan die rijkdom en schoonheid aanschouwen zonder, al is het maar één seconde, die vermaledijde Spanjaarden van de 16de eeuw even te verwensen en zich af te vragen: hoe anders was de geschiedenis allicht gelopen, mochten de wreedaards van weleer de Schelde niet hebben gesloten in 1585?

Genietend van de artefacten, kunst en cultuur van mekaars Gouden Eeuw, kijken we vandaag vooral vooruit. Een nieuwe Gouden Eeuw zullen we samen schrijven of niet! Laten we die kansen samen grijpen! Anders doen andere regios het. Als voorzitter van de VND gaat provincie Antwerpen die mooie uitdaging graag met u allen aan. Op ons engagement kan u blijven rekenen!